Evenredig
Hoe langer je fietst, hoe verder je komt. Dat weet natuurlijk iedereen. Als je met dezelfde snelheid twee keer zo lang fietst, kom je ook twee keer zo ver. De afstand die je aflegt is twee keer zo groot. Fiets je drie keer zo lang, dan is de afgelegde afstand drie keer zo groot. De tijd die je fietst en de afstand die je aflegt zijn allebei grootheden. In dit voor beeld geldt: als de ene grootheid twee keer zo groot wordt, wordt de andere dat ook. We zeggen dan dat de twee grootheden evenredig zijn. De tijd die je fietst en de afgelegde afstand zijn evenredige grootheden.
Er zijn nog veel meer voorbeelden te bedenken van evenredige grootheden. Zo is het aantal potjes jam dat je ergens koopt evenredig met het bedrag dat er voor betaald moet worden.
Koop je drie keer zo veel potjes jam, dan ben je ook drie keer zoveel geld kwijt.
Twee grootheden kunnen ook omgekeerd evenredig zijn. Als de ene dan twee keer zo groot wordt, wordt de andere hierdoor juist twee keer zo klein. Denk nog eens terug aan je fiets tocht. Om van huis naar school te fietsen heb je bijvoor beeld 20 minuten nodig. Maar nu ga je twee keer zo snel fietsen. Je bent nu in tien minuten op school. De benodigde tijd is dus twee keer zo klein geworden. Dus de ene grootheid (de benodigde tijd) wordt twee keer zo klein doordat de andere grootheid (de snelheid) twee keer zo groot wordt.
Ook van omgekeerd evenredige grootheden zijn veel voorbeelden te vinden. Probeer er zelf een paar te bedenken.