Planetaire nevel
Planetaire nevels behoren tot de groep lichtende nevels. De naam planetaire nevel is afkomstig van William Herschel (1738-1822) die in 1785 deze naam aan dit type nevel gaf.
Planetaire nevels lijken in een kijker een beetje op een een schijfje. Net als een planeet. Maar ze hebben met planeten natuurlijk helemaal niets te maken.
Planetaire nevels zijn ronde of bolvormige gasmassa's. In het midden vinden we meestal een zwak sterretje. Die noemen we daarom de centrale ster. Hij staat immers in het centrum van de nevel. De centrale ster heeft het gas van de nevel tijdens een nova-uitbarsting de ruimte ingeblazen. Hoe dat kan staat beschreven bij het trefwoord nova.
Een planetaire nevel heeft gemiddeld een diameter van 40.000 astronomische eenheden. Eén astronomische eenheid (AE) is gelijk aan de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon (afgerond 150 miljoen kilometer). 40.000 AE is ongeveer 0,2 lichtjaar. De massa van een planetaire nevel ligt tussen 0,05 en 0,20 keer de massa van de zon. De gasschillen bestaan voornamelijk uit waterstof. De dichtheid erin is ongeveer duizend keer zo groot als die in de ruimte tussen de sterren.
Planetaire nevels worden groter doordat ze nog steeds uit zetten. Dat uitzetten noemen we expanderen. De snelheid waarmee ze expanderen ligt meestal tussen de 10 en 50 kilometer per seconde. Dat hebben sterrenkundigen kunnen berekenen uit metingen van de Dopplerverschuivingen van de spectraallijnen. Uit deze snelheden en de totale massa van de nevel kan bovendien berekend worden hoe lang planetaire nevels kunnen bestaan. Dat blijkt ten hoogste honderdduizend jaar te zijn. Het zijn daarom, astronomisch gezien, kort durende verschijnselen.
De reden waarom een planetaire nevel licht geeft, is precies hetzelfde als bij een emissienevel. In het centrum van de nevel staat een ster van spectraaltype O. De temperatuur aan het oppervlak van zo’n ster bedraagt 30.000 tot 100.000°C.
De ster straling uit van een zeer korte golflengte en een zeer hoge energie. Die straling noemen we röntgenstraling. Ook zendt de ster ultra-violette straling uit. Door deze energie rijke straling worden de atomen gescheiden waardoor geïoniseerde waterstof gaat oplichten. De delen van de nevel die het dichtstbij de centrale ster staan, ontvangen ook de meeste straling van die ster. Die worden dan ook het sterkst verhit.
Het bekendste voorbeeld van een planetaire nevel is de Ringnevel in het sterrenbeeld Lier. Andere voorbeelden zijn de Uilnevel in de Grote Beer, de Halternevel in het Vosje en de Helixnevel in het sterrenbeeld Waterman.
Voor informatie over andere soorten nevels verwijzen we naar het trefwoord nevels.