Sluiernevel
De Sluiernevel in het sterrenbeeld Zwaan is in 1784 ont dekt door William Herschel. Hij deed zijn ontdekking met zijn 45 cm spiegelkijker. In de New General Catalogue heeft hij twee nummers gekregen: NGC 6960 en NGC 6992.
Op foto’s is goed te zien hoe uitgestrekt de Sluiernevel is. Ook zijn daarop duidelijk de twee gedeelten te zien waaruit de nevel bestaat. De heldere ster 52 Cygni staat vlakbij het heldere gedeelte NGC 6960 van de nevel. Ge noemde ster heeft een schijnbare magnitude van 4,2 en is dus gemakkelijk met het blote oog te zien. Het gedeelte van de Sluiernevel tussen NGC 6992 en NGC 6960 heeft geen nummer in de NGC-catalogus gekregen.
Om de Sluiernevel te kunnen zien is een lichtsterke kijker nodig. Ervaren waarnemers zijn er in geslaagd het helderste deel van de nevel in een 7 x 50 verre kijker te zien. Natuurlijk lukte dit alleen onder uiterst gunstige waarnemingsomstandigheden.
De Sluiernevel is het restant van een supernova-explosie.
De afstand wordt geschat op zo’n 1500 lichtjaar. In dat geval bedraagt de doorsnede van de nevel ongeveer 70 lichtjaar. De grootste expansie-snelheid (dat is de snelheid waarmee de nevel uitzet) in de Sluiernevel bedraagt ongeveer 70 kilometer per seconde. Per eeuw wordt de nevel daardoor 6 boogseconden groter. Als de expansie-snelheid altijd hetzelfde is geweest, heeft de Sluiernevel meer dan 150.000 jaar nodig gehad om aan zijn huidige afmeting te komen.
Overigens nemen de sterrenkundigen aan dat de expansie snelheid vroeger veel groter is geweest. We weten immers dat de buitenlagen van een ster bij een supernova-explosie met een snelheid van zo’n duizend kilometer per seconde de ruimte in worden geslingerd. Waarschijnlijk heeft de supernova-explosie die de Sluiernevel heeft gevormd, zo’n dertig tot veertigduizend jaar geleden plaatsgevonden.
De Sluiernevel is in feite niets anders dan de rand van de schokgolf die van de supernova is uitgegaan. Op recente foto’s van een klein stukje van de Sluiernevel, gefotogra feerd door de Hubble Space Telescope, is te zien hoe de schokgolf niet lang geleden op een dichte wolk interstellair gas is gestuit. Door deze botsing wordt het interstellair gas verhit, waarbij het gaat gloeien. De kleuren op de Hubble opnamen bevatten informatie over de samenstelling van de aanwezige materie. Het blauwe licht is afkomstig van tweemaal geïoniseerde zuurstofatomen (dat zijn zuurstofatomen die door de hitte van de schokgolf twee elektronen zijn kwijtgeraakt).
Rood wijst op de aanwezigheid van eenmaal geïoniseerde zwavel atomen. Deze «zwavel-emissie» ontstaat een flink stuk achter het eigenlijke schokfront in gas dat alweer enigszins is afgekoeld. Waterstofatomen zorgen voor de uitstraling van groen licht. Deze groene straling komt voornamelijk uit uiterst dunne gebieden (slechts enkele astronomische eenheden{.two} breed) die vlak achter het schokfront liggen. Deze gebieden zijn op de foto’s van de ruimtetelescoop te zien als scherpe, groene filamenten.
Voor meer informatie over nevels in het algemeen verwijzen we je naar het trefwoord nevels.