Vergroting
Als je een kijker koopt, wil je natuurlijk graag weten hoeveel hij kan vergroten. Hoe meer hoe beter, denk je misschien. Toch is dat niet zo! Hoeveel keer de kijker kan vergroten hangt voornamelijk af van de grootte van het objectief. Het objectief is de lens vooraan in een lenzenkijker, of de grote spiegel in een spiegelkijker.
De vergroting V van een kijker wordt berekend door de brandpuntsafstand van het objectief F te delen door de brandpuntsafstand van het oculair f. In formulevorm: De brandpuntsafstand van een kijker staat altijd vast. Dit betekent dat de vergroting bepaald wordt door de brand puntsafstand van het oculair. Het oculair is het lensje waar je door kijkt.
De werkelijke prestatie van een kijker wordt echter niet bepaald door de vergroting, maar vooral door de lichtsterkte en het oplossend vermogen van het instrument. Het oplossend vermogen (ook wel scheidend vermogen) genoemd, geeft aan tot welke hoekafstand we twee dicht bij elkaar staande objecten nog gescheiden kunnen waarnemen. Voor twee dicht bij elkaar staande, vrijwel even heldere sterren geldt bij *benadering de formule:*waarin a de hoekafstand tussen de sterren in boogsecondenis, en D de middellijn van het objectief in mm.
De middellijn van het objectief bepaalt eigenlijk de sterkst bruikbare vergroting van een kijker. Bij kleine amateur kijkers moet men er van uitgaan, dat de vergroting niet meer dan 1« maal de objectiefmiddellijn in mm mag bedragen. Ver groot je meer, dan zie je minder! Gebruik bij een 60 mm kijker dus bij voorkeur geen vergrotingen boven de 90 keer.
De lichtsterkte van een kijker, die van belang is voor het waarnemen van zwakke objecten, neemt toe met de middellijn van het objectief. Met een grote kijker kunnen we dus meer (en zwakkere) sterren zien dan met een kleine kijker.
Kijkers met dezelfde objectiefmiddellijn kunnen we nog onderverdelen in meer en minder lichtsterke kijkers. Hierbij is de openingsverhouding van belang. De openingsverhouding is gelijk aan de brandpuntsafstand van het objectief gedeeld door de middellijn van het objectief. Een 60 mm kijker met een brandpuntsafstand van 900 mm heeft dus een openings verhouding van 900/60 = 15. Dit wordt meestal geschreven als f/15. Kijkers met een kleine openingsverhouding (f/15 f/20) zijn meer geschikt voor heldere objecten als maan en planeten. Kijker met een grote openingsverhouding (f/4-f/6) zijn juist beter geschikt voor lichtzwakke objecten zoals nevels.